Aanvang van de wandeling

1. Van stal tot opstappen

  1. Je verlaat pas de stal (of met eigen paard de opzadelplaats) op aangeven van de begeleider, niet op eigen houtje. De begeleider zal aangeven waar er wordt opgestapt: in de binnenpiste, buitenpiste of op het binnenplein.
  2. Doe de staldeur zo groot mogelijk open en maak de gang vrij.
  3. Aan de hand begeleid je het paard aan de linkerkant door enkel de linkerteugel vast te houden, standaard zonder te trekken. Kan je het paard niet bijhouden, neem dan de 2 teugels vast en geef hier wat druk op tot het paard doet wat je vraagt.
  4. Let op dat het paard noch de zadel tegen muren, deuren of hoeken schuurt.
  5. In geval van opstappen in de piste: In de piste loop je rond op de hoefslag op de linkerhand met het paard aan de hand. Ruiters en paarden van een eventuele voorgaande les staan naast elkaar op de middellijn.
  6. In geval van opstappen in de piste: Op aangeven van de begeleider gaan de paarden van de voorgaande les naar de stal (tenzij ze in de wandeling ook moeten meelopen) en gaan de ruiters van de wandeling naast elkaar op de middellijn staan met voldoende afstand tussen elkaar.
  7. In geval van opstappen in de piste: Is er niet voldoende plaats op de middellijn, blijf dan nog even aan de hand rondstappen op de hoefslag.
  8. In geval van opstappen op het binnenplein: Hou voldoende afstand van andere paarden en blijf zo veel mogelijk stilstaan zodat de groep paarden zich niet gaat verplaatsen. Let op dat jij en je paard nergens tegen botsen.

Loopt je paard al mee in een voorgaande les, moet je het paard niet meer poetsen en opzadelen. Controleer natuurlijk wel even of alles nog goed is. Op aangeven van de begeleider kan je op een rustige manier naar je paard wandelen en het paard overnemen van de vorige ruiter. Betreedt nooit op eigen houtje de piste. Wacht geduldig tot de ruiter afgestapt is.


2. Opstappen

Ga als volgt te werk:

Belangrijke afspraken: